1906 tot 1984

Hieronder vindt u meer informatie over de historie van het rijbewijs (periode 1906 tot 1984).

1906

Nederland kent sinds 1 januari 1906 een officieel landelijk geldend rijbewijs. Voor die tijd gaf het Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid vergunningen af. Zo'n vergunning was nodig voor "het berijden van de wegen met een voertuig, voortbewogen door mechanische kracht en van een groter gewicht dan 150 kg." De vergunningen van het Ministerie waren alleen geldig voor de rijkswegen. Voor provinciale en gemeentelijke wegen moesten automobilisten een aparte vergunning aanvragen.

De eerste rijbewijzen waren zeer eenvoudig. Er waren slechts twee categorieën en het verkrijgen van het rijbewijs was eveneens simpel. Het rijexamen bestond nog niet en ook een geneeskundige verklaring was niet nodig.

1910

In 1910 werd het internationaal geldende rijbewijs geïntroduceerd en werden in het buitenland afgegeven internationale rijbewijzen hier ook erkend.

1927

In 1927 vonden diverse wetswijzigingen plaats m.b.t. het rijbewijs. Om in aanmerking te komen voor een rijbewijs moest voortaan een verplichte medische keuring plaatsvinden evenals een rijexamen. Daarnaast kreeg het rijbewijs een beperkte geldigheidsduur van twee jaar en kwam er een indeling in de categorieën: motoren, motorrijtuigen met meer dan twee wielen en bromfietsen).

1934

In de periode van 1934 tot 1940 legden de Commissie van Toezicht van het CBR en de directeur van het CBR zich toe op het verbeteren van het rijexamen. Dit hield in dat het examen in het gehele land zo uniform mogelijk moest gaan plaatsvinden. Adviseurs die het rijexamen afnamen kregen periodiek instructies m.b.t. de methode van examineren.
Examenkandidaten werden van tevoren op de hoogte gebracht van de eisen tijdens de examenrit en er werden folders verspreid met informatie over verkeersborden. Tot 1934 bestond het afnemen van het rijexamen uit een kwartier autorijden. In 1934 werd dat een half uur.

Afbeelding van een rijbewijs A uit 1939
Rijbewijs A uit 1939

1951


In 1951 kreeg Nederland een Wegenverkeerswet en Wegenverkeersreglement. De rijbewijzen waren niet langer twee, maar vijf jaar geldig en er werden vijf categorieën ingevoerd, te weten:

  • A voor motorfietsen en driewielers.
  • B en E voor personenauto's en aanhangers.
  • C en E voor vrachtauto's en aanhangwagens.
  • D en E voor bussen en aanhangwagens.

De categorie E werd automatisch toegekend bij categorie B, C en D.

Er kwam een uniform lesgeldtarief van fl. 2,50 (Euro 1,15) per categorie. Veel geld voor die tijd. Het examengeld bedroeg fl. 5,50 (Euro 2,50). Verder werd het bromfietsrijbewijs afgeschaft (dat overigens in 1996 weer is ingevoerd). Het rijbewijs F werd ingevoerd voor invaliden. Dit leverde echter dusdanig veel kritiek op, de invaliden voelden zich immers gediscrimineerd, dat het in 1953 al weer werd afgeschaft.

""
Rijbewijs B uit 1948

1956


In 1956 kwam de mogelijkheid om buitenlandse rijbewijzen om te wisselen in Nederlandse.

1960

In 1960 werd de duur van het examen drie kwartier, om zodoende alle onderdelen rustiger af te kunnen werken. Zeer ingrijpende wijzigingen in het examen voltrokken zich in de jaren 1963 en 1964. In 1963 nam het schriftelijke theorie-examen de plaats in van het mondelinge examen. Hierdoor werd invloed van de examinator op de uitslag uitgesloten en ontstond er meer uniformiteit. Een jaar later werd het besluit genomen om ook buiten de bebouwde kom te gaan rijden. Zodoende voorkwam men dat men in het bezit van een rijbewijs kwam, zonder dat men ooit buiten de stad had gereden.

""
Rijbewijs C uit 1949